Noten leren lezen | Cursus § 8: Sleutels

logo noten-leren-lezen.nl

§ 8: Sleutels

We hebben tot nu toe een met stamtonen opgevulde notenbalk gezien (§ 3), èn we hebben geleerd welke namen de stamtonen hebben (§ 7), maar de vraag is: Hoe kan je nou zien welke nootnaam bij welke stamtoon hoort?

We zouden bijvoorbeeld kunnen afspreken dat de noot tussen de 2e en de 3e lijn (van onder af geteld) een A is, maar dan moeten we dat er elke keer bij vermelden. Om dit te vereenvoudigen zijn er symbolen bedacht, de SLEUTELS, die aangeven hoe de noten op een notenbalk heten.
Er zijn 3 verschillende sleutels:

  1. VIOOLSLEUTEL (of G-SLEUTEL): Geeft aan waar op de notenbalk de noot g1 zit.
  2. BASSLEUTEL (of F-SLEUTEL): Geeft aan waar op de notenbalk de noot f zit.
  3. C-SLEUTEL: Geeft aan waar op de notenbalk de noot c1 zit.

In een koorpartituur wordt de vioolsleutel gebruikt voor de hoge vrouwenstem (sopraan), de lage vrouwenstem (alt), en meestal -in een speciale vorm- voor de hoge mannenstem (tenor).
De bassleutel wordt gebruikt voor de lage mannenstem (bas), en soms ook voor de tenor.
De sleutels worden altijd aan het begin van de notenbalk genoteerd, en zien er zo uit (hier zijn ze om ruimte te besparen naast elkaar gezet: normaal gesproken heeft elke stem een eigen notenbalk met sleutel):

sleutels ontsluiten de notennamen

Opmerking(en):
De speciale vorm van de vioolsleutel voor de tenor ontstaat door toevoeging van een kleine 8 onderaan de sleutel, waarmee wordt aangegeven dat de te zingen noten in werkelijkheid een oktaaf lager klinken dan ze feitelijk genoteerd zijn.

 

Laatste update: 30 mei 2008 | © 2008 noten-leren-lezen.nl

decoration2